7.5 Korte samenvatting



Deze module beschrijft de differentiatiestadia van de embryonale schijf van de 2de tot de 4de week van de ontwikkeling.

In de loop van de 2de week (7.1) differentieert het embryoblast zich in twee kiemlagen: het epiblast, waaruit het weefsel van het embryo en amnionepitheel ontstaat, en het hypoblast, dat de vesicula umbilicalis vormt.

Tijdens de 3de week van de ontwikkeling, ondergaat het epiblast een aantal complexe veranderingen die leiden tot de differentiatie van de drie embryonale kiemlagen. Het begint allemaal met het verschijnen van de primitieve streep (7.2), die een accumulatie is van cellen langsheen de middellijn. Deze streep is de locatie waarin lateraal emigrerende cellen verzinken om de diepe lagen te vormen van het mesoblast en het endoblast.
Zo ontstaat de vorming van de trilaminaire kiemschijf.
Het mesoblast is onderverdeeld in drie delen: paraxiaal, intermediair en laterale plaat mesoderm (7.2).
Het paraxiale gedeelte omgeeft de neurale buis en vormt later de somieten, waarin het wordt gesegmenteerd. Uit het intermediaire mesoderm ontstaat het urogenitaal systeem. Het laterale plaat mesoderm wordt onderverdeeld in het somatopleuraal en splanchnopleuraal mesoderm. Samen omsluiten ze het intra-embryonale coëloom (7.2).
Op dit ogenblik induceert de cilindervormige, mediale structuur, de notochorda, de differentiatie van het neuroblast. Dit proces wordt neurulatie genoemd (7.2). Het middelste gedeelte van het epiblast wordt dikker en vormt een gleuf en vervolgens een buis (neurale buis), waaruit het centrale zenuwstelsel wordt gevormd (7.2).
Van de randen van de neurale gleuf worden de cellen van de neurale lijst vrijgelaten, waaruit het grootste deel van het perifere zenuwstelsel wordt gevormd.

Twee overgangsstructuren, de notochorda en de primitieve streep, kunnen leiden tot ontwikkelingsanomalieën als ze niet volledig worden geresorbeerd (7.3).
Het sacro-coccygeaal teratoom vormt zichzelf uit restanten van de primitieve streep, het chordoma uit die van de notochorda. Caudale dysplasie omvat een groep syndromen die de onderste ledematen en het darmkanaal beïnvloeden. Een onvolledige sluiting van de craniale plooien van de neurale buis leidt tot een anencefalie. Als hetzelfde fenomeen zich voordoet in het caudale gedeelte van de neurale buis, ontstaan er diverse vormen van spina bifida.



Lijst van de hoofdstukken | Volgend hoofdstuk